Niets weerhoudt ons.
Geen bloed, geen glimlach.
Geen listen, uit angst verzonnen.
En vuisten hebben wij.
Vuist: maak de dictatuur!
Rood de wereld.
Nieuw de wereld.
Raden-wereld.
Eigen wereld.
Eigen fabrieken.
Eigen land.
Ra den-Ra den-land! ”
In een loei van extase brak de onzekerheid, de hulpeloosheid van een groot deel der bezoekers. Vlam-gordijn, snel vuur-brandoffer, sloeg naar tooneel. Klappen. Dreunen van voeten. Lachen naar elkander: steun in omhoog-reikenden greep naar top van hun vermogen. Eén kort oogenblik dat vervoerings-peil. Daarna wankeling. Staande, de Internationale, heel de massa. Redding in den weg-dragenden samen-zang.
Dina de Rooij ontging de begeestering van het wils-geweld. De wil zelf, verwarmde haar. En het vermogen om te zeggen, van arbeider tot arbeider. Zij sloot aan bij Neeltje de Jongh, vriendelijk, buur-tig. Neeltje van haar stalletje weggeloopen, rekte zich op haar teenen, zag rond met haar zwakke gevoelige oogen, verheerlijkt met de haren.
„Vindt U ’t niet mooi? Mooi hè?” Knikte Dina toe.
„Ja. ’t Is mooi. ’t Is prachtig allemaal.” Alles van hun.