en om adem, waar zij fleemend begraven; maar de heerschers gebaren, en de Schijn en de List, en het klaarder Geweld doen hun roepen verstuipen.
Met ijlgoude dingen komt de Schijn aan te pralen en verspiegelt grimassend tot blindpijne weelde hun arglooze oogen met kleur, als aan kinderen; de List doet beloften met stilsnerpen grijns, en schudt aan hun keet’nen tot 't jamm’ren gezwegen, en het roode Geweld luidt gerammel van waap’nen, die zij zelve gesmeed en tot moorden gevlijmd ...
Dan pijnen zij voort weer, zij bukken hun lijven en scheppen ’t geluk naar de vratige keelen . . .
De heerschers weer dansen en brallen victorie. Schijn, List en Geweld zich met eerstrikken sieren ... en die ’tbloei-schoone dragen van wanhoop verlammen — droefdonkere wereld van kermen en hoon, en van dwaasheidsregeeren . . .
Stil nu, het is niet om te gelooven, maar over het groote wereldwee komt een zacht geruisch van redding opgezwongen.
Gebogen lijven richten bij duizendtallen hun verdonkerde hoofden omhoog en zachtkens ruizlen hun keetnen naar de verdrukkers opschrikkend heen.
Een zonnestraal heeft hun oogen ontzwachteld, en bloemen bliezen hun teederen adem toe.
Toen is een golf van rillingen door hun lijven geslagen en zij rukten hun koppen tot boven den wereldrand heen: daar lagen de landen in den zonnedans te bloeien, en het waren maar weinigen en dwazen die hen zoo diep-duister hielden begraven.
Toen is daar beneê een verzetgalm gezwollen, voortge