Hier liggen z’ als beesten in kostbre gewaden, op zacht-rijke kleeden en heerschen als grooten, daar grissen z’ èl schaatrend en spelen al moordend, hun monden zeggen al doode dingen, maar met bruten waan en met stellig beweren.
Zij sjagg’ren en liegen en vloeken en vleien en krimpen en kruipen en lachen en jamm'ren, om den buit te bewaren met wanhoopsgebaar. Zij huren den schijn en den list en ’t geweld, om veilig te stelen, te schenden, te brassen, en wiegen de geknechten in onmacht met sprookjes. Zij dragen schijnkronen op hun dwaasleege hoofden, om-stoeten hun gaan met kleurmaskerades en doen zich omjuichen van alle de bestool’nen.
Millioenen bukken hun hongerende lijven, omwroeten de wereld en graven ’t geluk, zij reikten 't den moorders met angstig zwijgen. Zij blijven gebogen en zwoegen weer voort, zij houden het hong’ren tot ze zwoegend vergaan, en laten ’t hun kinderen als erf bezit na.
Zij temperen in den zomer hen den zonnebrand met hun smarten en in den winter maken hen met hun adem warm; zij verrekken hunne armen om hun de weelde te voederen en over hun doode lijven heen bereiken de heer-schers de wisselende grillen van hun klein verstand.
De boomen en de bloemen die bloeien alle jaren, in rijkblauwe dagen en met zwaarschoonen dracht, de leef-vreugden zingen al-zomersche tijden en ’s nachts mijmert de dauw langs de stil-vrome velden.
Maar in donkeren nachtkrocht verleven de millioenen hun huiverbestaan, schoon zij weenen en vloeken; zij merken de bloemen maar met weemoeë oogen en haten de zon die hun lijven verschroeit.
Zij bidden en kermen, zij smeeken en dreigen, om licht