stuwd door alle volkeren, het gaat daverschalmend langs de horizonnen, het klimt loeigolvend door de luchten, en de verdrukkers bevend luisteren in hun feestgoude paleizen. Zij blikken elkaar in de schrikwitte oogen en roepen om ’t geweld met angstverkrompen gelaten.
Maar wijder en wilder nu galmen de vertrapten hun koortsigen roep: néén, het zal uit zijn nu, neen zij gaan niet weer neergelegen, hun lijven krommen zich niet weer, nu de bloemen ze doorgeurd, hun oogen zoeken den grond niet meer nu ’t zonlicht ze eens gezegend. Purperen opstand is in hen opgebloeid, bloedroode bloemen in zielen en hoofden, die vlammeschijnen in hun oogen en beef-gloeieren in hun keelen. Met brullenden schreeuw rekken zij zich hooger, en plots luisteren de verdrukkers met bleekwitte hoofden, hun oogen zijn als kaarsen wier lichten trillend versterven, tot zij wanklen dooreen; een geknap heeft gepriemd in hun bevende hooren: zij verbraken hun keetnen, het is gebeurd en kan niet keeren, zij klimmen naar je heen. O, wacht nu, jij dwaaskleine heerschers, jij vreters en schenders, jij bangzwakke kereltjes, o, verberg je maar niet en sta je hoofden niet te schudden, want je weet wel en ziet wel en hoort het wel, zij komen aan, zij schuifelen in zwarte drommen rondomme je aan, zij komen met millioenen armen die dreigen naar je heen.
O, luistert maar niet langer naar *t voorbije feestgeschater, want het vlammelekkende wraakgeloei omzegt al je ooren!
O, hoor je het breedruischend naderen niet, o, zie je niet hun bliksemende oogen, hun hoofden gaan hoog geheven in den lichtenden nacht . . .