het zware klagen aan mijn ooren, ’t omluidt mijn hoofd met diep nasale slagen, als weemoedzoete, veege regenvlagen.
Tot ’k niet meer weet of dit wel smartelijk is, het wiegelt al zoo zoetjes, droefjes voort, hoe komt er Liefde voor dat sterven in mij om te zingen, zooals men juicht om hoog vioolgeween?
Het is wel vreemd, dat 't klokkeluien mij zoo zoet doorbeeft. Is blijdschap dan aan 't droeve zoo nabij ? Zijn smart en vreugde bêi geluk, en liefde, haat, verachting, zoo gelijk?
O, dring zoo niet, jij allen met je roepen, je lijkt wel kooplui, die ter markt je waren schreeuwt, het is niet mooglijk dat je ’t allen hebt gevonden, en kan ik dan je allen volgen gaan?
Ik wil het schoone, en zal rustig verder zoeken, en wie den waan niet dient en ’t schoonste heeft gevonden, dien zal 'k den prijs, mijn leven, eerlijk reiken . . .
Nu komt de groote snik, die alle volk’ren meegeschreid, naar ’t zoeken heenbewegen, het groot geween, — dat klaagt door alle tijden, naar Mozes’, Mohamed’s en Christus’ graf.
Het groote monster van het onrecht en van de verdrukking leeft ginds in den reuzenkom van het krielende wereldding.
Tusschen den wervel der volkeren in, in het horizonwijde levensrumoer dat hen beweegloos laat, leven de weinigen die al den bestaansrijkdom gestolen hebben. De weinigen, zij feesten en brallen en brassen, zij dansen en lallen en zuipen in ’t rond, zij schenden en pijnen en vervreten hun levens, en schrokken de levens der anderen mee.