Jij, laatsten, die daar gaat met klein monsterende oogjes, is aan jou nog iets Joodsch, een geur van mijn volk?
Je haren zijn zwart nog en in je trekken beweegt iets, dat doet me wel naad’ren. Wat heb je aan, mijn jongetjes, mijn aardige piasjes? lichte jasjes tot boven je dijen en roodleeren schoeisels om voeten en handen? O, foei, dat heb je afgezien van de acrobaten op hun uitgaansavond. Je hoedjes staan schuin en in je joodsche haren geurt klevend parfum als van fraai-ijdle vrouwen. Neen, zoo droeg Abram z’n kapsel niet, wel? O, ben jij van m’n volk niet, zeg je, wil je ’t niet w^eten? O, van avond liever niet, maar morgen weer wèl? En wie loopt daar aan je arm met geruisch van weelde kleeren, met gepoeierde wangen en zoo vreemd, blond haar? Is dat je liefde, mijn ventjes, o, trouw je geen Joodsche — o, zijn ze te dom je de joodsche vrouwen? O, is ’t niet je vrouw en trouw je een joodsche, en is deze gehuurd maar, tot je bij dagschemer weer Jood bent? O, ik wist het niet, o, ben jij van m’n volk? Zijn je bruiden jodinnen, die w7achten je begeerig, tot de armen je loslaten, wen de huurtijd verstreken? O, trouw je met Goppe *) en op een zaal, en besnijd je de kinderen van je liefdeomarmen? O, ga je Jom Kippoer1) den geheelen dag sjoel,2) en vast je een halven, en dans je met Poerim?7) O, ben jij van m’n volk, ik wist het niet, van m’n oude volk, die daar rondsluipt bij avond, en wou je Jeruzalem zien nietwaar? Maar hoor, je oogen lieven den vei-ligen avond, den ros-donk’ren schijn van ’t bordeelenlicht. Zij zullen Jeruzalem’s zon niet verdragen, die is er zoo groot en zoo puur en zoo goud, de koepels zijn hèl-
1
'*) Kerkelijke Huwelijksinzegening. 1) Groote Verzoendag. 2) Sy-
2
nagoge. 7) Purimfeest.