grimmig-onrustig: er is smartelijke wrevel van sluwen laster en van dood gepraat.
Je kinderen onderwijs je den schijn van je bewegen en zij mogen niet spelen met de Jodenkinderen die in de zijstraat wonen. Je nek buigt voor den grooten vreemde, in je binnenkamer onderschat, maar den hongerigen van je volk laat je de marteling van je rijke spijzengeuren.
Nee, jij bent het zeker niet — mijn volk moet zoo heel anders zijn.
Ben jij ’t die er gaat — en die bevrijd zoudt worden?
Ben jij ’t die zij willen naar Jeruzalem brengen?
Ben jij ’t met je verstarde gelaten — je levenloos gebaar, je lichtlooze oogen ?
O, met het zonneloos land ben je wel zoetelijk tevreden.
Je begeert het geluk niet, want om je heen heb je ’t al vermoord.
Je bidt niet om vrijheid, want het kruipen doe je met zalig vereeren, en ’t gestolen goud van wie je trappen en hongeren doen, schijnt den eenigsten lach naar je verarmde gezicht.
De schoonheid van je verleden schreed nooit in je arme verbeelden, maar je bespuugt met je verwenschingen aan wie ze voor nieuwe schoonheid eerlijk ruilen gaan.
Je laat de traditie uit je handennijp voor een hand vol koper, maar bevuilt met dommen laster aan wie ze betoo-gend verwerpen.
Al wat je beheerscht is je dierdriftig zoeken, voor je klein-droeve begeeren liet je alles versterven.
De schoonheid voor den schijn en den schijn voor je vratige lijf — ben je meer dan skeletten van m’n prachtige ouden? ...