zoo, met liefde stille voort, tot dat het eenmaal staat te pralen in de zon!
O, ja, nu komt een zachte weifeldein te golven in mijn lijf: Heel zachte kaarsen bloeien er zoo vroom te branden en stil geluk-geween gaat juichend er omhuivren den warmen rooden schijn. O, hoe staan de silhouetten van 't verbeelden goud-diep omgloeid, zacht-daavrend-goude werelden van schemerlijn aan droom-toortsrossen lucht!
O, hoe jublen fijn als heet-ontroerde hoofden de purpre oneindigheden!
Het komt er weifelluider aan te dansen, met strakken maat van koopren paukenslag, trompetten schettren hoog-gebonden, voornamer vreugde door de roode lucht. Het juicht en zwelt tot breeder jublen aan, het vaart en groeit al lachedansend om — nu staat het rond mijn hoofd te schaterjoelen, van licht en koper, goudrood eindgeluk!
Zal ik het doen ? Het duizelt zoo, dat ik het moet omvatten om te zien . . .
Hoe zal het zijn ?
Ik moet het nu gaan zeggen, ja het droeve gaat nu komen, ik kan het niet verzwijgen. Ik ben de straten rond gegaan, ik wou ze vinden, die in Jeruzalem gelukkig zullen zijn. Ik heb gezocht zoo lange en zoo droef, ik heb gezocht met pijn-en-spot-vergeven, met bukken ver naar kleine menschen neer, met luistren bang naar vreemde stemmeklanken, en dringen diep in oogen-weifelglans.
Ik heb heel lang gehoopt en veel verdragen, maar nog mijn oude volk niet weergevonden.
Waar ben je nu, jij allen, lieve ouden, bekenden van gebaar en oog en stem, gelijken van mijn juichen en mijn