O, ik hoorde wel in de zwaardonkre dagen, je groote, wijde, massale klagen — je schraap-rauwe krijten en je pijnrochelend verwijten, dan wou ik wel graag gekomen, en je snikkende hoofden genomen, in mijn handen, heel huiverzacht, dat je snikken tot glimlach gebracht.
O, ik heb wel gezien je weedomgedompel, je smarte-gestrompel met deemoed gelaten,
dan zat ik gebogen met scheemeroogen, tot kl levensdingen zoo schreiend bewogen — als liep ik er naakt door de regenstraten.
O, ik zag wel je beulen je weenen versaat’ren, je krijten verschaat’ren met grijnsvroomen lach,
dan wou ik wel vloeken met haatdronken woorden, en jubelend moorden in wraakrooden dag . . .
Dan wou ik tot opstand wel rondalarmen, met zwiepend gebaar en met hitsenden kreet,
Maar ik zag er zoo groot en zoo wijd je leed — ik hielp je toch niet met zoo klein-zwakke armen . . .
Toen zijn zij eindelijk gekomen.
In het groot-golvend wereldgeduizel staken zij op hun jong-zwarte hoofden.
Zij zagen het schreigeleef rond zich wringen, en die ter Synagoge gingen, hadden het geduld.
Maar de weeke roeselen van hun zielen dof schenen in hun vochtzachte oogen, en hun handen waren als van vroome liefdevrouwen, toen zij tot luisteren wijd te gebaren kwamen. Heel hoog stonden zij geheven boven ’t worstelend Jodenvolk en toen zij uitgesproken hadden —