geluk, dat stond volgroeid hun levens rond te schijnen, en toen de Hand hen stuwde de zwarte knechtschap in, schrikstuipend keerden zij zich om naar 't Licht, en uit hun keelen rauwsmartelijk klaagde langs de gevels hun tuimelschallend wee . . .
O, hoe is 't je groot en schrikkelijk gebeurd, mijn volk, hoe stond je plots met kelen dichtgenepen en oogen grauw-omfloerst in zonneloozen dag te wank’len naar ’t bestaan! Hoe ben je van je rijke erf gesleurd met striem van zweep en woorden, en huis aan huis met wrokge-broken stem en martiend slaafschen blik je stromp’len bedelgang begonnen!
Hoe kon er na jou ondergang een enk’le mensch op geest of goed nog trotsch zijn! Hoe heb je tot vandaag hun gif gedronken, je pijnen en je opstand in stilte uitgekreten naar je doofgeworden god! O, hoor dan toe, ik wil het je wel zeggen, je bent mijn oude, oude volk, en in de bange dagen schreien de geslaag’nen naar mij heen, zij roepen om mijn kunnen, maar ’ben zoo bang, niet goed te doen; ik wil wel tot je gaan en helpen, en stillen al het schreien met een zacht gebaar . . . Maar, o, dan ben ik heengegaan de straten rond en heb je toen gezien.
Stil nu, ik zal het wel gaan zeggen, o, laat mij gaan, ik wil het wel verhalen — je bent mijn volk en ’t mooie zal ik dan wel eerst gaan zeggen, maar straks kan ik het droeve niet verzwijgen.
Het mooie, ja, dat is je smart van d’eeuwigen geesel, van d’eeuwig-vroomen geesel in beest-vroome klauw. — Je smart die heb ik lief, de verre en de dichtbije — je smart dat is je bloedenddroeve mooi.