Van de blauwe zonnelanden zijn zij gekomen, waar de wijnbergen zijn en de zwaarbloeiende akkervelden, verschieten schemeren van blank en van turkois, en de hand van het groote Ongewetene zaaide hen tot smart-getreiter over de wereld uit. Want wie hen naast zich vond geworpen, griste met vrome hand hun kleeren en hun huid, en dreef hen naakt weer voort, met bloedend lijf, van 't wereldvlekje, waar hen 't Ongewetene gelaten; of wen hij braver duldde, zeeg’nend of vloekend trapte hij naar hen heen de haat van zijn herkenning.
En waar zij leefden tusschen de vreemde volkeren, die hadden oogen niet als zij en and’re stemmenklanken, verlangens niet zoo wijd, die droegen gansch andere gebarenspelen, daar brak van ’t eindelijk rust-geluk hun trots tot deemoed neer, en in de vele eeuwenruimten staag getrapt, gestriemd en zwiepend rondgejaagd, van vromen haat hun levens volgespogen, daar ging tot schuw gesluip hun deemoed zich verwalgen, en tot bedrog verpriemde hun fijnere denken. Zij kropen als beesten met loerende levensoogen om met greep en met lonk het zijn te bewaren; toen zagen ’t de waan vrome vijanden, en de vernieuwde hoonroep saterlachte over hun levens. Zij geeselden voort, elk vrome aan wie van ’t sjaggervolk naast hem leefde, en met verknepen snikken kermden de verdoemden -— Jeruzalem was vèr . . .
Ja, zij hebben het liefgehad, Jeruzalem, stad van blank en blauw geluk, reuzig gedicht van zon en koepeldaken, wijdstrekkend spel van kleur en lijnenschoon, liefgehad sinds 't eigen zijn verloren. Zij dronken den bloeienden wijn met schaat’rend oogenspel, maar hij verdorde in hun lijven tot grauwen lichtdood neêr. Zij zagen niet het rijp