snoerend temperden, voelde zij een zachte vervoering huiveren door haar lijf. O, het was er, het was er. Stil, al rustiger, warmer, met ingehouden, licht-öpbewegende vreugde, speelde zij voort. Hij, achter haar, was plots teruggedoken in zijn stoel, had de oogen moe gesloten. Toen kwam het zacht over hem aan; van onder op, van den vloer, kwam een wijde spreiïng van licht, blauw, wit, over zijn gezicht, als een zachte sluier van groote, vrome liefde. Een donkere zwaarte, als een droefenis, als een vreugde ook, een vreemde vastheid, brak tot een schreien los in zijn hoofd. Zacht, zacht, maar machtig-dwingend, voelde hij ze toen opkomen: van zijn beenen af, öp door zijn lijf, gebeurden zij, de koude rillingen van vervoering. Zij speelde voort, rustig, rank-recht voor de witte zingende toetsen, het hoofd omhoog, stil-zeker tastend met het blank op het blank. Een grenzelooze rust zong naar hem op, liefkoosde zijn zware bevende hoofd, koelde zijn brandende oogen, woei als een minnende ruisching om zijn stil-weg verterende leed. Een korte, droge snik heftigde door hem heen. Toen drongen er meer naar zijn keel, voelde hij een weldadige ontwarring in zijn hoofd, en even boog hij het naar zijn handen neer, en schreide uit, zacht-heftig, met korte snikjes.
Maar even duurde het. Toen, als was een heete zwaarte met het schreien uitgestort, vond hij, klaarder, de motieven terug, hóórde hij haar weer spelen. Een oneindige verruiming waaide door zijn lijf en zijn hoofd. En het fijn-teere geluk van de grootere rust, de bewuste, omgolfde hem. Hij voelde het; daar vóór hem, wijd, wijd, glansde zacht een oneindige schoonheid: het Leven. In de groote aanvaarding bloeide de grenzelooze vreugde van het aan