wel leuk, hè . . . vin je niet? . . . Kijk *s wat ’n allerliefste schijn langs de piano heen . . .”
„Jawel . .
Zij was, licht-tredend weer, naar de gordijnen geloopen en had die vaneengeschoven. De waranda over, door de breed-grijze gazingen der schuifdeurramen, kwamen de blauwzilveren stroomingen van 't maanlicht zacht doorspoelen de wijde poeiering van den kamerschemer. Zacht-blauw dadelijk, als koele, doffe polijstingen, hingen aan de als op-ademende meubeldingen de beroeringen van ’t stille, devote licht.
En bij de zwart-glimmende piano, waarop als zachte paarlemoeringen, kleine lichtglansjes doolden, was zij gaan zitten en keerde haar hoofd naar hem om.
„Nou,” zei ze, „je bent zeker nog niet uitgedacht, hè? . . . nou ... ik ben geduldig, beste jonge ...”
Hij glimlachte sterker.
„Je zou me werkelijk schaakmat zetten,” zei-ie, „en me nog aan ’t lachen krijgen d’r bij . . . jij sterk brutaaltje . . . als ’k niet zoo . . . diep . . . miserabel was.”
„Zoo,” zei ze, en keerde zich om. O, daar kwam het weer . . . altijd, als hij iets zei, dat een liefheid zou kunnen zijn, wanneer het zoo anders was . . . dan begon het weer te woelen, te kermen . . .
Zij zag naar de muur nu, recht voor zich, en sloot even haar oogen, om 't uit te vechten. Weer dat woeste verzet nu tegen haar weekheid, weer even die grommelende worsteling, om de kalmte-vreugde te herwinnen. Maar zij rechtte zich met een ruk op haar stoeltje, den mond toegenepen, waarvan niemand nu iets zien kon. Onder het verwringen van haar gezichtslijnen doorvocht zij in één