zij was er toch om lief te hebben . . .
Zij zou toch stil-weg hem liefhebben, in zichzelve . . . in haar goudlichte verbeelden > . . Daarom niets zeggen, niets laten voelen, niets . . . anders zou ’t breken . . . dat brooze, sobere geluk, waarmee ze zich had tevreden te stellen . . . Dat, dat was toch nog een ontzaglijke troosting; niemand zou dat kunnen nemen « . .
Zij stond stil . . . daar was ze weer, haar kalmte. In haar gracieuze slankheid, toch forsch, stond ze voor hem, en zag naar zijn moeë gedokenheid neer, bijna glimlachend, driest.
,,’t Leven wordt warm gehouden,” zei ze, „door ‘t altijd weer onbewust grijpen naar weer hooger en grooter geluk . . . en dat komt, altijd weer nieuw.”
Hij zag haar voor zich staan, groot, rank, mooi, en toch ... hij dacht eraan; née, het was er niet ... er was niets van begeerte in hem, haar in zijn armen te mogen nemen . . .
En dof weer zei ie, flauw glimlachemd:
„Voor mij niet, Lize ... ik geloof ’t niet ... o, ik geloof er heusch niet an . . . ik heb te veel gehad, om nog aan nieuw te gelooven ...”
„Och m’n jongen,” zei ze, zonder zwakste ontmoediging in haar vaste, zekere geluid, „je moet nou niet zoo dadelijk denken, dat je 't grootste geluk hebt bezeten ... hè, kom,” zei ze levendiger, bijna vroolijk, „sla de zware folianten van je allerdiepste denken nou ’s open ... en vertel me 's, met welk recht jij dat eigenlijk wel beweert . . . dan zal ik in die tijd de gordijnen een eindje vaneen-schuiven .... Kijk ’s . . . de maan komt door . . . . hè . . . zóó . . . daar hebben we licht ... 't is hier zoo