Hij zag op, verrast.
„Ben je boos?” vroeg ie, gepijnigd, „och ja ... ’t is ook zoo, je vindt ’t ellendig van me, dat ’k daarmee bij je aankom ... je vindt ’t laf van me, en dat is ’t ook . . . ja, ’t is ’t ook wel . . .”
„O nee, nee,” zei ze, rondloopend, tastend langs de meubels, opgewonden in bewegen alleen nog maar en met hijginkjes tusschen haar spreken door, wijl zij niet uit kon barsten, „och, nee, nee ... je moet me zooiets natuurlijk komen vertellen, zooiets hou je niet bij je . . . maar alleen, ik voel niet heel veel kracht in me, om je met zwaar-wijsgeerige motieven te overtuigen ... jij denkt, geloof ik, heel wat dieper dan ik, en je spreekt ook beter ... je kent beter de draagkracht van de woorden dan ik . . .”
Even keerde zij zich van hem af, sloot de oogen. Mijn God, het was niet om uit te houden. Maar het moést toch, het moést . . . want dat hij overspannen was, was zeker. Dat er te léven viel ... o, zij wist het . . . het was zoo heilig-sterk in haar . . . altijd onverwinbaar sterk . . . Dat er een vreugde was boven alles . . . boven de felste, martelendste smart uit, hoog uit boven de diepstneer-smakkende ellende . . . mijn God, dat wist zij zoo . . . dat had zij altijd weer terug gevonden in haar afgepijnde denken ... O, was ze een kind, dat ze zich liet slaan door ’t leven? Bezat zij niet de groote kracht van het beheer-schen ? Voort dan, voort dan weer. Kalm, de koele kracht drijven als een wig tegen de brandende pijn in ... en *t hém meedeelen, die nou de zwakkere was ... en weer sterk moest worden, omdat ze hem liefhad. O, al wist hij niet ... al wou hij niet ... zij, zij wist toch . . .