die . . begèerte nietwaar?”
„Nee . . . nou je ’t zegt . . . da’s wel gek, ja . . .”
„Zie dat, dat verkeerde schikken, dat vind ’k zoo ontzettend wreed van ’t; leven . .
„Ja, dat is ’t ook wel . .
„Daarom juist, Lize . . . om dat alles voel ’k me zoo moe . . . daarom kan ’k niet verder . . . voor dat lugubre schrik ik zoo terug . . . ’t verjaagt me ... ik kan er niet langer tegen vechten ... ik geef ’t op ... ik ben de zwakste”.
„Oh . . . m’n jonge . . .” beefde haar zwaardiepe stem, „ik weet ’t wel . . . ’t is wel schrikkelijk . . . maar wij mógen de zwakste niet zijn ...”
„Woorden, woorden, Lize, die geven me geen kracht, ik kan me ook niet voorstellen, dat jij dat heelemaal zoudt kunnen voelen . . . m’n God, als je toch alles gehad hebt, dan wil je immers niet meer . . . als je genoeg gegeten hebt, dan hou je toch op . . . is daar iets tegen?” vroeg ie bitter, „ik vind’t toch zoo eenvoudig . . . zoo vreeselijk eenvoudig ... ik wil daarmee nou niet zeggen, dat ik me straks van kant zal gaan maken . . . maar d’r is toch niets meer, dat me zoo bindt aan de dingetjes, die maar herhalingen zouden kunnen zijn van wat ’k nou al achter me heb . . .”
Voor ’t eerst, hartstochtelijker, gloeide de branding van haar smartheftigheid even öp in haar geluid. Zij moest haar voeten stildwingen, die wilden trampelen op den grond. Zij stond op, hijgde.
„Maar jonge!” borst ze even, nog ingehouden, uit, „ik wil dat van jou niet hooren . . . ’t mag niet, ’t mag niet . . . ’k wil ’t niet hebben!”