’t eigenlijk nou maar te zeggen, omdat 't hier donker is . . . as je mekaar niet zien kunt, durf je . . . naakter waarheden te zeggen dan in ’t volle licht, niewaar? . . . maar . . . vin jij ’t niet gek, . . . vin jij ’t juist niet schrikkelijk, dat precies de menschen, die bij elkaar zoo volkomen zouen passen, die elkaar gelukkig zouen maken, niet van elkaar . . . hoüen?”
„Kan wel . . . kan wel ...” zei ze, „hoe bedoel je ’t eigenlijk, zooiets heb ’k wel ’s gezien, ja ... je bedoelt toch een man en een vrouw, nietwaar?”
„Ja, juist die blijven in 't inniger voelen vréémd aan elkaar . .
„In ’t inniger voelen ?” vroeg ze noodeloos voort, wanhopig.
„In ’t begeèren . zei ie eindelijk; zij en ik bijvoorbeeld, hoorden, naar onze eischen, niet bij mekaar, omdat we de groote aanvulling niet hadden, en toch ... ik hield zoo menschelijk van haar, zei ik je . . . daar was zoo, wat je alleen maar kunt aangeven met: de begèerte .. .”
Ja?”
„En bijvoorbeeld, jij en ik; koel-verstandelijk, dus zuiver objectief, moet ’k bekennen, dat we de twee menschen zijn, die een prachtig saamteven zouden hebben, die alles in elkaar zouden aanvullen, en geestelijk groot zouden zijn . . .”
Haar hoofd, dat achterover wrikte, stiet zij terug. Een snik voelde zij rukken in haar keel, slikte dien door.
O, al zou ze er in stikken, sterk zijn wou ze, tot ie wég was . . .
„Vin je ook niet?” vroeg ie.
„Ja, dat kan wel ...”
„En wij juist, wij hebben nooit naar elkaar gehad, . . .