zalig trampelen en snikken . . . Maar nü stilzijn, wachten, geduldig wachten, tot-ie heen was, met z’n geluk en z’n ellende; nü sterk zijn, groot, boven alles ... de smart-klitten doorslikken, de woeste snikken breken, het opwillende lijf met z’n bewegende armen en voeten neerregee-ren tot lamheid, met een machtigen heidenwil, en overwinnen, overwinnen, dat vreemde geluk bezitten van de oppermacht over de daad, die naar ’t onwillige voelen gaat luisteren . . .
„M’n god . . . ,” zei ze bang, ,,is je leven je dan werkelijk zóó weinig waard, dat je al de heerlijkheid van ’t zien . . . van dat ontzaglijke wereldgebeuren . . . zoudt willen missen . . . jonge . . . jonge . . . laat ik ’t je even zeggen . . . doe geen dwaze dingen . . .”
,,Ik kan je niet anders zeggen . . zei-ie, z’n oogen sluitend, ,,dan dat ’k moe ben, . . . ogod, zoo dood, doodmoe . . .”
„Dat gaat over . . . ga morgen naar buiten, ’t: is voorjaar. . . ga een heelen dag in de bosschen liggen jonge, met enkel groen om je heen, en heelemaal, absoluut alleen, dan zul je rust vinden . . . .”
„Rust voor een dag . . . fysieke rust . . . maar ik ben zoo zielsmoe Lize . . . beste kind . . . och, laten we er niet over uitweiden . . . ’t geeft zoo weinig ... jij bent daar niet dadelijk in . . . in dat vreeselijke ...”
„Nee — dat ben ’k ook niet . . .”
,,’t Is wel gek”, zei-ie, ,,’t is eigenlijk laf van me . . . wat ’k nou zoo ’s even wou zeggen ... en je moet er niet kwaad om zijn, zul je niet?”
„Welnee”, zei ze, bang-luisterend.
„Zie” aarzelde tot huiveren zijn dofmoeë stem, „ik durf