goeie woorden niet gekozen, om je van je . . . malligheid te genezen ...”
„Dat is dan wel waar . . .”
Zij zweeg, haar lippen bebijtend, vechtend tegen haar grootere innigheid, doorslikkend de verklitting van haar geluid, al maar heerschend, heerschend, kracht oproepend om de kloeke, groot-kalme redeneering te kunnen behouden. M’n god, wat had ze hem lief . . . Wat sidderde er telkens een wilde stuwing in haar armen, die zich, als on-beheerschte, levende dingen zelve, wilden slaan om zijn hals. Wat omweefde haar diepere begeeren de stroomink-jes van zijn geluid, en hield ze vast, en kustte ze, als waren ze als woorden van liefde, als zoete boden, naar haar wachtende aandacht gezonden.
Wat schreeuwde het in haar op, zoo hevig luid, dat het als niet te begrijpen was, dat hij, zoo dicht bij haar, ’t niet hoorde; dat hij nu niets wist, niets van haar waarlijk-groote, rijpe begeerte ... O, dicht naast haar leefde hij, en zocht en klaagde van niet te vinden ... en zag niet, hoe zij klaar stond, om zich snikkend van blijdschap tegen hem aan te vleien, al haar groote en kleine teederheden over hem te doen losbarsten en zich te geven, met al wat er in haar zong en schreide, en voor altijd, wetend, dat zij het was, op wie zijn zoekende verlangen als met rusteloos vér staren te wachten hunkerde . . . Maar o, oppassen, oppassen, toch niet laten merken, geen schreien in het geluid, want hij mocht ’t niet weten, toch niet, nooit . . . O, rust vinden ... in alles, in het wilde voortgaan en in het zachte, stille, bang-voorzichtig weggehouden schreien. Als ze alleen was, straks, mocht ’t weer . . . ginds in een hoek van de kamer, languit, als een woest-ondeugend kind,