had, wat ’r tot mijn vrouw zou hebben doen worden . . . juist, nu ik zoo ontzaggelijk veel van de andere dingen in haar hield . . . juist, omdat ze me wou, om wat ik in mezelf de eenige groote voorwaarde tot ’t echte leven vind . . . juist dat we zóó fel tegenover elkaar stonden om dat ééne . . . terwijl ik alles zóó mooi, zoo onvergelijkelijk mooi gedacht had — o, god, Lize, daar ben 'k zoo moe van . . , dat ik ’t nooit vind ... al zóó vaak gezocht heb . . . en ’t nooit vind ... die ééne groote saamgang . . . dat maakt me zoo schrikkelijk ellendig . . .
,,Kalm nou, kalm aan”, zei ze, maar herhalend, om niet verder te gaan, „logisch . . . logisch ... ze was niet voor je . . . eenvoudig, en de bekoring van die andere dingen ... o, die gaat over ... die vergeet je . . . daar gaat in twee maanden tijd zooveel over je heen, m’n jonge . . . dat die herinneringen weer totaal verbleeken . . . och, dat weet je immers . . . je hebt zooiets wel ’s meer doorleefd . . .”
„Ik geloof niet, dat ’t nou weer wijken zal,” zei-ie dof, „o, ik voel nou zoo heelemaal, dat ik wat men noemt „gebroken” ben ... ik heb geen kracht meer in me . . .”
„Kom ...” zei ze zacht.
„O ... ik ... ik zie zoo weinig meer in m’n bestaan, Lize, ... ik ben zoo mat . . . zóó moe ... ik kan werkelijk niet verder ...”
„Foei toch, jonge . . . mallepraat, mallepraat . . .”
„ ’t Is geen sentimentaliteit, Lize . . . waarachtig niet, ’t is veel sterker . . . och, ik ben zoo bang, zie je . . . dat je me niet zult kunnen beprijpen ...”
„Dat kan wel . . .”
„Heb jij . . . wel ’s lief gehad?” vroeg-ie.