„Ik kon niet,” klaagde hij, „ik was zoo boordevol van haar ... ik vond haar zoo goddelijk prachtig in haar menschelijkheid, in haar persoonlijkheid, ik vergat aldoor, dat ze dat groote, dat onstuimige verlangen niet in zich had, . . . waarom heb jij, jij, die toch alles wist, nee, Lize, ik zeg ’t niet om je iets te verwijten, maar had jij me maar wakker gemaakt, o, had me haar maar laten zien . . . dat had jij kunnen doen, in onze verhouding ...” Zij neep haar lippen saam, niet wetend, wat te antwoorden. O, dat hij ook niet begreep hoe zij zoo iets immers niet had kunnen zeggen . . . had ze ’t niet geweten inderdaad? en was ze niet alleen maar bang geweest, dat hij merken zou, hoe lief ze hem had, en haar dus van jaloerschheid alleen zou gaan verdenken? Niets, niets had hij van haar ellende gezien, van haar angst, dat hij voor goed nu liefhebben en van haar weggaan zou, niets van de schrikkelijkheid, waarmee ze dat alles, bij elk gesprek, bij iedere opmerking, met krampachtig-volgehouden be-heersching had moeten terughouden; in woord, in toon, in gebaar, tot alles geworden was van een, door ongewoonheid pijnende bestudeerdheid.
„Och”, zei ze, met de vingers op de pianokast trommelend, ik wist toch wel, dat dat niets zou helpen, „als een
man verliefd is, hè . . . dan geven leeringen maar zoo
weinig ... ze zijn immers precies als kinderen, als je ze van ’t verkeerde wilt: wegnemen dan schreeuwen ze er nog harder om, och kóm . . . dat banale redeneerinkje had ’k evengoed kunnen sparen . . . nü, dunkt me, kun je dat zelf al wel zien ...”
„Ik weet ’t wel ... ik weet 't wel: ’t was nooit goed
geweest . . . maar o, dat juist . . . dat zij nu niet alles