„Nee,” zei-ie, „dat goddank niet . .
„Je bent zeker moe ...”
„Ja ... nog al . .
Zij zweeg weer en zocht. Als een wijd-omdreigende, onontkoombare benauwenis voelde zij het spreken over zijn verdriet. O, hem met haar koele kracht te moeten troosten, de uitzegging van zijn leed, om die vrouw ginds, die hem niet gewild had, te moeten aanhooren met de diepe vertrouwelijkheid van het begrijpen ... en niets, niets te mogen reppen over de wilde verscheuring van haar eigen geluk, die daar binnen in haar kalm-moordend voor goed werd verzekerd. Al dikwijls had hij haar daarvoor gesproken, eerst over zijn groote geluk, soms met heel weinig woorden, waarvoor zij pret tig-vriendschappelijke, meevoelende en vreugde-aanstemmende glimlachend had moeten wringen uit haar keel, schoon de groote wegdonkering van haar levens-vreugde als zware schaduwen neersloeg in haar liefdelichte lijf. En altijd weer opnieuw was zij haar klein-heroïschen vriendinneglimlach blijven geven, haar weinige, zacht-besliste genegenheidswoorden, haar voornamen, be-heerschten toon, die klonk in haar altstem als een bijna koelte lijkende warmte, met kleine, zacht-verrassende golfjes van innigheid. Nu, voelend dat hij kwam om zijn onhoudbaar leed te klagen, nadat die andere met hem gebroken had, steeg een oogenbiik, in den stillen schemer tegenover hem, de wanhoop van het beheerschen tot een klaarheid-verwarrende smartelijkheid. Zij dacht niet meer te kunnen antwoorden straks, en ze wou zijn spreken ontloopen, mijden ondanks alles, doorpraten over dingen van den dag, eindelijk hoorend de luidere en luidere opkerming van het eigen wee, wilder en gebroken er omhoog, niet langer met