verrukkelijke driestheid, om zijn leven aan te vatten met sterk-willende handen, zich te tillen met zingende keel naar het gelukkig-bereikbare. Daar achter zich, zoo had hij te denken, liet hij nu de huiskamer, hier was zijn eigen, door hem zelf alleen te betreden allerheiligste. Zóó zou het zijn, in een blijde schikking naar wat zijn moest, maar, hoe moeilijk ook, zijn leven formeerend tot het wenkende, monumentale schoon.
Maar plots stond hij voor zijn ezel, zag, in het klare daglicht, zijn teruggezonden schilderij. En het was, of een kwaadaardige knauw zijn blijden moed tot een doffe matheid verlamde, toen hij zijn ontaarde werk zag, dat egale brokje verfbestreken doek ... o god, hoe vervloekt, hoe machteloos — hoe kindsch! Opeens voelde hij een vertreitering van zijn vreugde, zag hij heel de onweerhoudbare ondergang van zijn werkersleven, nu zij er was, wéér was, zou blijven . . .
Als had hij een grooten geweldigen klap gekregen, zoo liet hij zich neervallen op de canapé, met dof kijken en denken, moedeloos en hatend.
Gisteravond was hij dankbaar geweest, schreiend-dank-baar, haar terug te hebben. Nu zou zij weer verder gaan . . .
hem inpalmen, neertrekken, afleiden, breken, heelemaal.....
Roerloos bleef hij zitten, ineengedoken leunend tegen den canapé-rug.
Toen kwam de vreeselijke denking in hem binnen grijnzen. . . .
... O god, o god . . . was jij . . . was jij gisteravond maar . . . was jij maar . . . doodgegaan.
Amsterdam, Januari ’07.