Heftiger snikkend voelde hij als een onschatbare innigheid haar zwakke kussen terug op zijn gezicht.
En in den winkel liep hij dankend en handdrukkend rond, leegde zijn portemonnaie onder de mannen, zei hen bij hem thuis te komen, morgen, straks . . .
Eén half uur later had een rijtuig hen samen thuisgebracht.
* *
*
Den heelen nacht had hij haar in zijn armen gehad. Al zijn vijandschap tegen haar minderheid, dien avond bij ’t hervoelen van haar onafscheidelijkheid aan zijn menschzijn verteederd, had in de zacht-gelukkige omliefelijking van den nacht zich tot al heftiger golven van streeling gekeerd. Zij ook, zonder ’t weten van zijn pas geweken haat, had zich schreiend-gelukkig van dankbaarheid omarmend hem toebewogen, tot zij geweest waren als jonggetrouwden, zoekend met zoet begeeren den nieuwen rijkdom van hun klare liefde.
En in den morgen, als de winterzon in hun kamer zachtwarmpjes te lonken begon, hadden zij elkaar toegelachen als kleinen, en waren in slaap gevallen.
Toen, ’s middags, de dag wdjdopen pas en licht, ging hij naar zijn atelier. De boomen buiten op den vasten weg stonden met hun beijzeld-fijne sprietingen de gouig-blauwe lucht als ragbroos zilversmeedsel toegeheven, en er was een klare klinking van krachtig leven over het witte land, dat tot de violette nevelen aan den einder als een breede vreudigheid uitlag, zacht langsgeschetterd van 't doorzichtige zonnelicht.
Hij voelde een nieuw en opstand van kracht in zich, een