en rollen boven op de toonbank begon, terwijl hij als een krankzinnige om haar bleef loopen.
Allengs begon hij banger te snikken van het zekerder wanhopen, dan weer tastte en rukte en wreef hij plots aan haar liefgeworden lichaam, om het leven met al zijn opborrelende verlangenskracht te dwingen naar haar oogen, dat zij zich openen zouden en hem zien. Een wijde angst klemde in het huis daar, waar, zonder één woord, de men-schen te zwoegen stonden aan het doodlijkende vrouwenlijf, eindeloos hopend en volhardend, en van hun warmte daarin wrochtend met verlammend gebaar, om langzaam-aangolvende stroominkjes leven er in over te streelen.
Eindelijk, grinnikend van dankbaarheid, boog hij zich, bevend, over haar, gulzigend met zijn waarnemen de zwakke aantinting der wangen, het opzwingen van den ademhaal.
Een der reuzige kerels, met zijn hardrood werkersgezicht, duwde hem weg van zijn vrouw, merkend zijn uitgelaten juiching, die hij uit wou schreeuwen, dicht bij haar langzaam herlevend lijf.
Dan rolden en wreven zij weer voort, brachten medicijnen aan neus en mond, azijn aan polsen en voorhoofd. Met gloeiend en hijgend hoofd van niet te bedwingen vreug-debeklimming stond hij over haar gebogen, voelend de tot schreeuwen pijnigende zwelling der uitgelatenheid dichter en dichter dringen naar zijn keel. Dan, opeens zag hij 't gelukkig ophijgen, *t langzaam oogenopenen en tusschen de zwijging der omstaanden schokte hij als een kind naar haar neer, snikkend van dankbaarheid, greep haar hoofd en kuste, kuste.
„Lieveling, lieveling, engel, Lizetje, ik ben ’t, Dikkie . . ga je mee? ga gauw mee!”