Na nog even met al zijn aandacht zoekend voortstappen, was hij er al en liep haastig ’t voortuintje door naar de deur. Weigerend binnen te komen, hoorde hij, dat Lize al weg was gegaan, ’n half uur bijna geleden.
’n Half uur?” zei-ie ,,’n half uur? God, ik heb 'r niet gezien, dan zijn we mekaar voorbijgeloopen.”
Teleurgesteld liep-ie sneller terug, weer langs de huizenkant, die zij toch óók wel gevolgd zou hebben, zoekend of hij haar gaan zag en stilstaand bij ’t langs gaan voor elke tastende gestalte, soms zacht roepend: „Ben jij ’t Lize?” als hij de kleeren van een vrouw kon waarnemen. En weer voelde hij het zware beklemmen van die vijandige omwolking, met vóór zich, even een vaagheid van grijsbruine wegsteenen, die nog te volgen waren, en verder alles ondoordringbaar spokig-ommewarend grijs, waarin de scheele lantarenoogjes met lange, als om zich grijpende, blauw-grauwe nevelstreepen, hem loenzend tegen-grijnsden.
Haastiger steeds liep hij voort, dichter langs de huizen en meerdere malen stilstaand om te zoeken, ook vaker vragend aan een vooruitloopende of voorbijgaande, of ’t Lize was. Inniger verlangde hij, haar thuis te zullen vinden, zittend bij de warme kachel in het blije kamerlicht, hem tegentrippend om bij ’t binnenkomen hem te kussen. Ja, ja, ze was al thuis, ze was nog al heel bang, had natuurlijk langs de huizen geloopen, heel voorzichtig, en hem niet gezien. Hij zou maar gauw naar huis gaan ook, ze zou stellig ongerust zijn over z’n uitblijven — heerlijk innig leek 't rustig saamzijn.
Even was, in die komende zekerheid, dat hij niet meer hoefde te zoeken, zijn aandacht geminderd, toen hij achter