Zonder vermogen, zonder wilskracht tot afpaling van haar leven en met de haren gebrouilleerd, wijl hij haar hun minderheid nog benéden haar, al opvoedend had doen zien, zou het bestaan haar één groote kuil van verlatenheid zijn, zoo zij zijn steun en stem, zijn voor haar gelukkige levens-vermooiïng, die hém afmatte, een smarte-lijken dag zou moeten missen voor altijd.
Dat telkens had hem teruggehouden, zijn ontzaglijk medelijden, zijn vrees voor de algeheele ondergang van dat leventje, dat hij, weg uit de bijna-gelijke en nooit smartelijk als minderen gevoelde omgevende kleinen, naast zich gekozen en half had grootgebracht.
Nu was hij voor haar leven aansprakelijk, moést hij haar bij zich houden, kón hij alle menschelijkheid niet hooghartig wegredeneeren uit zijn eens voor goed uitgedacht schijnende plan, zijn kunstenaarschap ten koste van alles tot het grootstbereikbare van zijn talenten öp te dragen.
Met een zacht-vergelukkigende schikking in dat zwaar-omhangende, dat hem wel een drukkende gewoonte zou worden, was hij, rekenend op zijn robuste kracht, haar dan weer genaderd, goelijkjes en teeder, altijd als een oudere broer en voelend een feller scheiding van hun vriendschap en hunner lichamen saamgang. En haar eerlijkheid, haar gewoon-kleine vrouwelijkheid, het fijn-lieve, dat alles echt in haar leefde, het deed hem altijd zijn last weer lichter schijnen, hem intiemer worden, zich geven, tot eindelijk de dompigheid van het niet genoeg geïsoleerde dagleven hem weer met de eindelooze jammerlijkheid van zijn vergissing kwam martelen.