heid was, had op zich geladen, en die het eenige in hem langzaam was gaan vermoorden, zóó dat hij een groot deel van zijn dagen, al zoekend het geluk in een lagere men-schelijkheid, die kwijning niet meer wist zelfs. Dan was hij telkens zijn werk weer gaan verdedigen, zich opdringend, dat zijn gedachteleven een nieuwe phase te doorvechten had, vooral van de machtige knapheid diende gesterkt, vóór hij zijn groote dingen naar buiten kon brengen. Zoo gingen weer dagen en weken om, met weinig werken, veel huiselijkheid, nieuwe tevredenheid met zijn vrouw, door langere saamgang telkens gemakkelijker buiten zijn inniger leven gehouden, zonder ’t bedenken van de voortdurend hoogere aanraking die hij voor de stram-gedul-dige, heerlijk-langzame opvoering van zijn arbeid noodig had.
Tot, een dag, hij opeens weer die schrikkelijke drukking voelde van haar nooit aan te vullen minderheid, als hij eens niet, als altijd, haar lèeren wou, maar spréken met wie daar immers altijd dag en nacht zoo dicht om en bij hem ademde.
Opnieuw greep hem dan weer de verschrikking van het onverbiddelijk-ware, dat, wat zij, het wetend, als een ziekelijkheid lieten voortvreten in hun saamzijn, lachend met halfgelukkige oogen meestal, blijvend uit vrees voor de wreedheid der scheuring. Zij — ja, hij wist het; in zijn diepste wetensklaarheid nooit tot haar uitgesproken, wist hij het : zij, van hem houdend als elke vrouw van haar eens gekozen man, niet gelogen, maar genoegen nemend met wat er sympathieks in hem was, en dat inniger omaaiend wijl 't een dag langer telkens gezien was — zij voelde dat haar leven voor goed gebroken zou zijn, als zij van hem weg zou gaan.