vereenzelviging met het wijfje, tot hij nooit meer dien ziekelijk-eindeloozen hartstocht terug had gevonden, waarmee hij vroeger de dingen öm zich gulzig gegrepen en tot heerlijke levens geheeld had.
In den beginne, als de begeerte, zijn vrouw tot zijn eigen hoogte en verte van zien naast zich te heffen, bij beetjes was begonnen te rafelen aan zijn scheppingspassie, had hij zich wel vaak plots geschrokken van dat wijken van zijn beeldingsdrift, zijn allengs sterker wordende neiging tot uitstellen, die de branding van het arbeiden bleeker en bleeker deed zijn, en eindelijk de doeken tot brokken verstandelijke vakknapheid deed minderen.
Een paar maal, bevend van angst voor de scheurende pijn die de breking beiden zou wonden, en voor nieuwe, nu ongewende eenzaamheid ook, had hij gezind op het plan, zich weer af te zonderen, de groote verkeerdheid, voor ze een onherstelbare noodlottigheid geworden zou zijn, zoo zacht mogelijk te niet te gaan doen.
Hij kwam dan plots tot de vreeselijke klaarheid van zijn vergrijp, aan zijn kleine menschelijkheid, en zóó verkeerd, te hebben toegegeven. O, wat was hij gaan doen . . . een vrouw nemen, en een die hij had op te voeden, heel niet rekenend dat zijn verbeeldingsleven, zelf onvolgroeid, niets missen kon van wat elke dag hem schoons bracht, zich zelf sterk genoeg te wanen, anderen tot zijn half-hooge plan te kunnen brengen, terwijl hij hoogstens een vrouw naast zich dulden kon, die, hèm gelijk, met hem samen tot grooter wasdom zou kunnen stijgen.
O, het geluk, dat hij dan telkens weer had willen grijpen, verbidden: verlost te zijn van de benauwende klemming, die hij zelf, alsof het een voor zijn leven noodige heerlijk-