sterking, een nieuwe doorkiering van koel-krachtige mannelijkheid, waarna hij, als met breede wanhoopsarmen weg^ schuivend al het voorbije, dat den ondergang weefde, zijn kop naar het komende voorzichtig sterk weer heffen zou, om zich terug te tillen, ondanks alles, tot de immers onvergelijkelijk-gelukkige hoogte van zijn vroegere kunstenaarschap.
O, god, daar was zijn werk. Stil nu — nu even rustig zijn . . . het was bang, het was groot-angstig, maar het moést: zich zelf terugvinden, zich zelf alleen, zonder in-of omwinding van wat hij de laatste jaren, hoe óók, zich menschelijks had doen gebeuren.
Daar stond het nu — zijn werk! Terugezonden keer op keer van de eene expositie naar de andere; zonder pieteit zelfs meer voor zijn eens lang niet gewonen naam.
Het gebeurde toch, het gebeurde telkens, hij moest het goed bedenken, want ’t was zoo; hij bleef er om eten en drinken, en uitgaan en praten en lachen en kussen; het liet hem voortgaan en nu en dan zelfs zich gelukkig vinden — en het was toch zijn werk, zijn kunst, die nog zóó kort geleden allen hartstocht van zijn leven in zich op had gedronken, voor eigen, hem tot goddelijkheid optillende schoonheidsverwording.
Een angst beefde donker in hem om, nu hij, machtiger dan de vele vorige malen, den grooten domper van zijn kunst voelde af te moeten wentelen, ééns, eindelijk, meedogenloos — voor goed. O, god, hij wist het wel, hoe de groote begeerte naar het al-schoone in hem was gaan matten en kwijnen; hij had de schrikkelijke zekerheid wel in zich, dat het niets anders was dan: zijn lièfde, die zijn al-voelen en weten langzaam had omgedreven naar de