Even nadat z’n vrouw was uitgegaan, nam Dirk het teruggezonden doek van den besteller aan. Dieper en zwaarder, wijl moordend-bestendiger was het leed, dat hij over zich misten voelde, toen hij zijn schilderij in 't atelier bracht en loom ging ontpakken. Onder 't werk door wikkelde hij opeens alle vooringenomenheid van zich, alle liefde voor eigen geduld, alle herinnering aan vroeger toe-gejuichten arbeid, die zich telkens en telkens weer drong in zijn aanvankelijk driest-openhartig voorgenomen oordeel. Het was hem of er iets, bang van gewichtigheid, gebeuren zou gaan, zoo beefden zijn handen, onder 't te voorschijn halen van het doek, zoo sidderde in zijn binnenste het groote voornemen; het te gaan zién, zóó als hij in geen maanden zijn werk bekeken had; vér beneden zich, met, zoo hij wilde, zijn nog wel fèllevend critisch vermogen, brutaal-afrekenend, hijgend-onbevangen. Hij voelde in dat begeeren tot meedoogenloos zelf-rechten, opeens een lichte