niet meer zién . . . niet meer . . .
In de gang, als-ie *r niet meer vóór zich had, kroop
dichter de leedkluwen op naar z’n hoofd . . . waar mot ’k na toe . . . alles wég . . . niks meer, niks meer . . . zoolang ben ’k bij je geweest . . . Essie, Essie . . . nou
mot ’k weer naar de vodde . . . met de vuile stofrommel, dat smerige zoodje ... en de vlooie, de vlooie . . .
Tegen de deurpost huilde-ie uit.
Esther was zonder zucht of gebaar blijven zitten in de stille kamer, 'r armen over de borst gekruist, 't hoofd, strak geligwit, éven gebogen; leefloos-groot dekten de blauwe brillegiazen haar oogen.
Maart 1906.