enkele woorden in de gang gesproken, kwam terug de kamer in, en met glimlachje tegen Esther, zei-ie: ,,’t Is voor hèm . . . een zeker persoon van et gerèch ...” David zag ’m aan, één seconde staan blijvend, de wangplekken om z’n baard waren strak-wit, kleur-verstorven, ’n heete schroeizwaarte was in ’m neergezonken, tot-ie licht wankelde ; ook even, vóór ’t weggaan naar de deur, zag ie om naar Esther en zocht, zocht . . . zag niets dan ’t beweeg-looze hoofd, de blauwe brilleglazen, die de oogen dekten. In den dwang van gebeurensvoortgang, die z’n kalme denken verflardde, keerde-ie zich om, liep de gang in. Daar, onder *t aannemen der dagvaarding en ’t bevend teekenen, hoorde ie ze voor ’t eerst vanmorgen spréken binnen; bij ’t teruggaan met ’t billet in z’n hand kwam Izak hem tegen die de straat op ging ... Dat gaf ’m 'n lichte ver-ruimnig . . . dié wég, nou kon-ie tenminste spreken . . . Sneller liep-ie naar binnen, wierp ’t papier voor Esther op tafel:
„Daar hè je ’n et,” zei-ie, „goddank, dat die tenminste is weggegaan . . . nou kind, wille we ’t nou óphoue ? hé ? dan binne we klaar . . . kijk hier ...”
„’k Kan toch niet léze . . .” zei ze „da wéét je doch wel. . . .”
„Nou,” zei-ie „wat gééft dat, zeg maar is, hoeveel je, krijgt . . . dan gaan ik ’t in orde make.”
Hij stond dicht vóór haar bij den tafelhoek, waar ze altijd zat, met den rug naar ’t raam. Zij bleef omlaag kijken, ’t hoofd even gebogen, in de zelfde, zwaarsmarte-lijke gelatenheidshouding, waarin zij zoo dikwijls, in laatsten tijd vooral, met ’r aarzelende teruggetrokkenheid hem pijnde. Hij zag haar hoofd, in langzaam weifel-overwinnen,