Nerveus-gedrukt, met vijandige gezichten, zonder één woord, aten zij.
Tante Mietje had nog ’s gesproken, die was er nou niet meer . . .
Toen de begrafenis was afgeloopen, zaten ze weer, na ’t gepraat door de enkele kennissen en familieleden, die vertrokken waren, in gespannen gezwijg bij elkaar. David was nerveus blijven zitten, dacht na. Den heelen dag had Essie ’m ontloopen, hij had 'r niet te spreken kunnen krijgen alleen en waar Izak bij was, kön-ie niet vragen, die hoefde niks te zien van z’n ellende ; ’t was of-ie ’r met opzet al dien tijd voor thuis gebleven was. Uitkomst wTas er niet gekomen, ze hadden over geen testament gesproken en die Lezarus . . . die liet 'm 'n ongeluk loopen voor de centen, elke dag had-ie ’n ander praatje . . . wat kön-ie ’m doen, niks, niks . . . zou-ie daar nou zóó zijn ingeloopen, hoe was ’t godsmogelijk, wat waren de men-schen toch slecht ... hij zou ze wel krijgen . . . maar wat gaf dat nou ... de dagvaarding kon elk oogenblik komen . . . die zat-ie nou bevend af te wachten. Ze deden zoo vreeselijk stil in huis, alsof er wat heel ergs te zeggen was . . . dat ze maar lieten gaan en ga&n, tot 't vanzelf voor den dag moest komen . . . Niet zoo als anders wel, na ’n begrafenis ... as de menschen toch vriendelijk tegen mekaar zijn en zachter praten.
Roerloos zat Essie in ’r blauwe katoenen japonnetje voor de tafel, die verslordigd stond van gebruikte kopjes