„La me gaan,” riep ze, „toe Da, la me nou gaan, hou je hande thuis . . . ’k heb wel gedacht, dat ’t mis zou gaan met die Lezarus, en met de heele boel . . . hoe ka-je daar nou over prate ... ik weèt niet ... ik weèt nóu niet . . .”
„Essie wat ga je toch an!” riep-ie, „kom ’s hiér kind, waarom he-je dan zoo’n kwaje bui, het-ie je soms getreiterd, zég ’t nou maar, je kan ’t toch an mijn wel zegge.”
„Och, la me gaan!” zei ze, „toé Da ’k mot de tafel dekke, toe!”
„Maar Essie, hoor nou ’s, ’k ga failliet! . . ,. nou motte we weer bij ’m blijve, daar komt nooit ’n end an . . . addenommegod, waarom teeken je geen briefte voor me, je krijg toch geld ... zal ik ’t maar schrijve . . . nou? gauw eve schrijve?”
Geschrokken hield-ie op, zij had hem nijdig afgestooten, toen de deurbel klingelde, ’t gluipig gezicht van kippigen, gebochelden Izak de kamerdeur óm kwam gluren.
Da schoof angstig, in de war gebracht, achteruit, scharrelde terug naar z’n stoel in den hoek. Ester’s wit-gelige, effene gezicht was lichtrood aangeschampt, maar hij zag niets van haar oogen, haar oogen, die maar altijd verdoken bleven achter de beide groote blauwe glazen.
Izak stak zwijgend de lamp op, zonder opzien naar haar of hem, z’n kleine rosoverbrauwde oogjes, strak-goochem vernepen achter den bultigen oprug van z’n roodrigen neus, en hij ging tegenover Essie aan tafel zitten. David zette zich naast haar, als met leden en mond gebonden, z’n keel toegenepen. Altijd was dat ’t zelfde, als-ie thuis kwam kreeg-ie haast geen asem van ’r, niet eens antwoord had ze ’m kunnen geven . . . natuurlijk niet . . . misschien bleef-ie nou wel de heele avond in huis . . .