„Mot ik ’t wegbrenge?” vroeg-ie, toen ze ’t witte linnengoed op tafel in ’n krant pakte, die-ie haar aan had gegeven.
„Ja,” zei ze kortaf: „zeg d’r bij voor wie ’t is.”
„Op de Keizersgrach ommers.”
)ja-”
Izak kwam zwijgend binnen met ’n groot stuk singel, en smakte dat vóór de rechtbank, bij ’t raamlicht neer op den grond, dat pluizige stof opwolkte naar ’t eten. Dan bukte-ie zich onder ’t verbaasd toekijken der beide anderen en ontknoopte den zak, schudde een klit versche konijnenvellen uiteen over ’t vloerkleed. Esther kwam geschrokken naderbij, met van verwondering opgetilde handen.
David zag naar haar, wist dat ze zou gaan klagen over z’n brutale slordigheid — hij had ’r plezier van dat ze ’m ens ’n standje zou maken; voor haar was-ie nog ’n beetje bang, omdat ze de huisvrouw was.
„Wat hè-je daar nou weer?” riep ze, „mot dat nou hier gebeure, och god kijk nou is toe,” klaagde ze, bijna huilend, „op me vloerkleed . . . pas heb ’k schoongemaak . . . die vuile herrie . . . mot je die daar bij ’t ete gooie?” Met kermgezicht liep ze in ’r wat zwaren huisgang naar de rechtbank, schoof ’t deksel van de uienpan heelemaal er óp, bleef dan met de hand er aan staan.
„Die stinkende veile, mot je die nou hier hale, kan je dat nou nerreges anders doen ? Voor jou kan me zich doodsappele, as jij thuiskomt is de heeleboel vuil en onderstebove! . . .”
„Och, klets niet!” nijdigde Izak, de bloederige, met het haar naar binnengekeerde vellen op elkaar schikkend in behagelijk keuren; mot je doch ook van meevrete, kan ik dan erreges anders zien ... de winkel staat zoo vol . . . daar is ’t pikkedonker . . .”