borst in die stof, de heele dag gebogen ... nou ja, dacht-ie dan weer, vergoelijkend, ze bedoelde natuurlijk dat 't zoo ellendig was . . .
„Ja zuchtte-ie „zeg dat wèl, 'k verdien nou me droge brood nog niet ; het Izak wat gezeg van ’t kostgeld?"
„Hij het vanzellef gescholde, dat-ie je niet voor niks te vrete blijft geve ..."
„Dacht ’k wel" zei-ie „we motte zien daddewe d’r uit komme, kind, hè?" Hij was opgestaan en bij ’r gekomen, boog zich met z’n hoofd naar ’t hare. „Krijg ’k geen kus?’v vroeg-ie, wijl-ie al even stond met z’n mond tot zoen-vraag te wachten. Zij neeg haar hoofd naar z’n baardige wang en zoende, even vluchtig, haastig bijna ’n tipje van z’n blanke vel daartusschen. Dan gaf-ie haar ’n zoen terug, bleef even gebogen staan öm haar, in onheftig denk-omvan-gen haar opnemend, zacht-rustig verlangend bij haar te zijn.
Zij was weer naar beneden gaan zien, breiend, liet hem.
,,’t Is vanzellef mesjoggaas," weifelde-ie, zenuwachtig, door ’t nu nabij zijn van de uitkomst ; ,,’t is onzin, om daar nóu al over te spreke . . . maar-as tante Mietje eris olewe sjolem *) zou komme . . . waren we gered."
Zij kleurde en tikte hem met den breinaald tegen z’n hoofd, dat-ie weg zou gaan.
„Och" zei ze „dat is ook onzin, dat ken nog vijf jaar dure ook ... as me op zulleke dinge wacht, daar komt niet veel goeds van . . . me wacht op geen dood van ’n mensch . . .’’
Hij glimlachte in schaamte, lei, teruggegaan naar z’n stoel, zijn vuist aan haar zij tegen z’n wang en zag daarlangs heen
!) Dood.