begrijp niks van jou.”
„Dan maar niet,” zei-ie, geraakt omdat ze z’n wijs overleg niet waardeerde — ’t was ook nooit goed: „is ’t dan wat waard bij mijn in m’n ongelukswinkel ? nou heb ’k toch wat om te betale — goochem of niet — ’k lach jullie allemaal uit, met jullie smoesies.”
„Ja, goochem,” nikte ze driftig-spottend: „en heb je al cente? „die Lezarus is ’n jiddische goj ... je het toch een te niet?”
Hij kleurde even, trok weer z’n wenkbrauwen hoog op : „Nou ja,” weerde-ie af, alsof ze de moeilijkheid overschatte, „overmorrege heb ’k geld, hij had geen contante, maar ’k heb ’n briefie op zegel. ...”
„Addenom!” riep ze, nijdig lachend, „overmorrege! hij had geen contante ... jij ben stapel, schlemiel, je krijg geen cent van ’m, geen cent, de rechte soort . . . Lezarus !” Hij begon heviger te kleuren, angstig werd-ie van haar zekere bitterheid, „godogod, zou-die ’m nou ook te pakke krijge ? . . . och, malligheid, overmorge had-ie geld, ja, die man zou ’m afzette, onzin. . . .”
„Nou ja,” zei-ie, maak nou geen gijntjes, je wéét wel, da’s maar gekkigheid, ’k heb toch me briefie op zegel.” „Roep ’m nascher na”, zei ze, „met je briefie op zegel.” „La we liever as mensche prate . . .” begon-ie, maar hield dan weer op, zag ’r in beklag hoofdschuddend nalachen, durfde niet verder gaan nu, in die bui. Ze zou kwaad zijn, als-ie daarover beginnen zou, over de erfenis van Tante Mietje, die toch voor haar was en waar ze geholpen mee waren. Ze scheen er niet aan te denken, anders had ze ’t toch straks gezegd, toen-ie begonnen was over ’t trouwen en over de wissel ? . . . Als dat ’r