of ’t zóó had moeten gebeuren ... of ze altijd zoo sterk zou blijven . . . altijd . . . altijd . .
Alle denkensrust vervreten van spijt, van wrok tegen iets niet te grijpen, niet te straffen, en toch zoo sterk, zoo venijnig sterk, dat ’t hem neer had gemokerd, kwam-ie thuis. Verloomd van bewegen maakte-ie de deur van z’n kamer los, de huisgenooten dadelijk mijdend. Maar toen-ie die kranten en brochures op tafel zag liggen, dat vertrek aanzag, waar-ie geleefd had al dien tijd, werkend, studee-rend, stellingen doorgravend om er het leven tot deugdelijke volbrenging in vast te klinken, toen hijgde een getier van woede in hem op, een uitbarsting van de, door onmacht tot marteling saamgedrongen spijt. In één seconde flitste dat naar z’n hoofd tot heesch-hitsende haat tegen de als levende, hem tegengrijnzende dingen in de kamer. Ja, ja, zóó spraken die voddige dingen . . . zooals zij gesproken had . . . sterk zijn . . . bedwingen . . . betere dingen doen . . . Hier . . . beroerlingen . . . lammelingen . . . waarom verkwanselen jullie het leven . . . waarom heb jullie mijn leven verpèst . . . tuig! tuig! Met kram-pige vingers greep-ie de dingen van tafel en reet ze vaneen, tot snippers op den grond . . . niks meer . . o
god ... o, hoe zou-ie z’n hart ophalen . . . haha! Ethiek! . . . Ethiek van de liefde ! haha! het huwelijk! onderzoek vóór het huwelijk! bah! bah! achter glazen deurtjes had-ie ze geschikt. . . die vuiligheid ... ja, ja, vuiligheid!
Met brandende oogen en ademstootjes van gek-verrukkelijke hartstocht-bevrediging liep-ie op de boekenkast toe en trapte met z’n hakken de ramen stuk; 't glas rinkinkte op den grond en de boekbanden, de plank