jes, beukten z’n hakken ineen, schoppend en trappend in een krankzinnigheid van machteloozen haat.
Maar toen alles vernield op den vloer lag, toen, opeens, moe, uitgehijgd van hartstocht, liet hij zich neervallen op een stoel achter hem ... en zag het. Een eerste helderheid kierde in zijn denken. Wat had-ie gedaan? god, god . . . papieren vernield . . . dat was krankzinnigheid . . . kwajongenswerk . . . heftigheid van een oogenblik . . .
Maar nou . . . nou . . .
Hij was geen kind meer, hij had toch gedacht z’n leven wel te hebben voorbereid . . . zoo goed en serieus bedoeld . . .
Wat noü . . . van z’n weg afgetuimeld ... en daar teruggegooid, hard . . . wij hebben andere dingen te doen . . . haha! hij èn zij . . . gód, gód . . .
Een dichte benauwenis kroop naar zijn begrijpen en moe, tusschen de snippers van z’n boeken in, liet ie z’n hoofd zakken in z’n handen, omdonkerd van angst voor het komende, niet wetend waar te gaan.
Een wanhoop van machteloosheid voelde hij zwaar neerzinken op zijn bestaan, dat hij nu niet meer te effenen wist, levenloos-dof van willen als in een omsuizing van leegheid, in het moedeloos-grauw dreigen der dagen.
Maart—Juni ’06.