winnen had, driftte, om de hindernis van dat verzet, verontwaardiging aan.
„Bè-je mal, Johan . . . wat beteekent dat?M Hij probeerde te lachen, zijn handen al weer teruggetrokken, tóch niet geloovend haar verzet.
„Wat nou,” wrong-ie uit z’n nauwe keel, mag ’k geen grapje met je maken . . . nou?”
„Natuurlijk niet . . .” zei ze, „hoe kom je daarbij.”
Hij voelde, zijn moed al verzonken tot een bange onmacht, een ontzenuwende verwarring diep in hem neer, die een benauwenis ook prangde in z’n hoofd. En om met geweld z’n intimiteit als vanzelf sprekend te doen voorkomen, bleef-ie haar aanzien, dicht naast haar.
„Kóm,” zei-ie, onderschattend haar ernstig-geraakten toon met nogeens gewaagd lief-doen . . . „neem nou geen loopje met me . . . wees nou niet zoo flauw ...”
Zij zag de achter zijn vernedering brandende begeerte in zijn oogen ; toen voelde zij de weifeling aansluipen in haar kracht, een duizelende verweeking; en het sterke woord van verzet zei zij zóó zwak, dat het geluid fluisterde als een zucht van onmacht:
„Ajakkes . . . Johan . . .”
„Waarom ajakkes,” zei-ie met den moordenden klap in zijn borst, met al bevend-schorder stem en door overrompeling bedwongener kijken, „waarom nou ajakkes ... ik dacht toch . . . gód ... is er dan niks tusschen ons tweeën . . . toe . . . doe nou niet nèt of je . . .”
„Natuurlijk niet jonge,” zei ze, „hoè . . . hoe kom je daar nou bij . . .” Maar in zich voelde zij levend worden en roepen en kermen de weken bedwongen kracht van haar vragen en klagen. En het waren de angst voor de