zichtbaar werd, voelde zij een wanhoop van schaamte om haar zelfzuchtigheid en ook om de grille naaktheid van haar alléénstaande begeeren, dat hij nu wist, meer en meer.
Toen, na het treiteren van den afkeer, had zij met een geweldigen ruk van haar willen zich voorgenomen sterk te worden, een koelmetalen pantser van prinselijk-hoog bewustzijn te smeden om de branding van haar kwaadwillige lichaam. O, die eerste, ijzige kou van haar maaksel, wat had ze gehuiverd in de opwasemende warmtegolven van haar jeugd! Met opeengenepen tanden en saamgeklemde lippen, met gevuiste handen en beweegloos-wijdopen oogen had zij zich gevochten door de eerste vlijmende sidderingen van haar harden wil. Maar dan ... o als groote vreug-dige zonnevakken in den tijd, waren dagen aangegleden van wijd-reine kracht. En zij voelde zich getreden in een heerlijken overgang, heel haar bestaan nu een gelukkige metamorfoze, saam met al den nieuwen arbeid der laatste tijden, als een periode, een tot schuimende kracht en fris-sche voldoeningsvreugde omhoogtillende wisseltijd van leven.
Nu maakte de gedachte aan Johan’s passie haar bang, en wijl om zijn heftigheid twijfelend aan haar verzet, besloot ze alleen-zijn met hem te mijden en niet meer over wandelen te spreken.
Dat zwijgen vermartelde hem den heelen middag; elk oogenblik verlangde hij haar daarover te hooren spreken en als ze opstond, zich bewoog, zag hij naar haar, maar durfde zelf er niet aan herinneren, bang iets te laten merken. Door die teleurstelling ook giftte er een wrok in hem tegen het vegetarische eten; dat was nog een van de leuter-dingen van hun ethiek, waaraan-ie nog meedeed, maar dat-ie dat nou ook hiér aantrof, alsof-ie ermee geplaagd moest