elk een stuk ervan en zaten een oogenblik te lezen, Johan achter z’n blad langsstarend ’t geschemer der letters, met z’n heete verbeelding het heerlijkkomende van de wandeling liefkozend. Zij had gedaan als hij natuurlijk — wou niet zoo grif toegeven — zoo deed je als je iets graag wou dat verboden was, maar waar niemand op lette: zonderling, dat de menschen daar zoo gelijk in waren. Hij zag Betty opstaan en naar binnen gaan, volgde haar dan begeerig, hopend dat ’t was om haar hoed te halen en mee te gaan; maar snel zag-ie weer naar z’n krant, toen-ie haar weer zonder hoed naar buiten zag komen, ’n ander blad in haar hand, dat ze weer ging zitten lezen.
,,’t Is heerlijk rustig hier, niet?” zei ze, uit beleefdheid iets opmerkend om hun gesprekloos saamzitten.
„Ja,” zei-ie, „heerlijk wel, ’t bevalt je hier zeker goed hè? . . . wat heb je daar voor een krant.”
Zij glimlachte en hield hem het titelblaadje toe.
„Rein Leven?” zei-ie, „lees je dat?”
„De tweede of derde maal,” nikte ze onverschilligjesweg, ,,’t is wel sympathiek, geloof ’k . . . schrijf jij daar ook niet in?”
„In de laatste tijd niet zoo véél,” zei-ie en trok de schouders op, voor ’t eerst nu, tegen haar alleen, als een wenk, iets bloot gevend van zijn ommekeer.
,,’t Lijkt me heusch wel sympathiek,” zei ze, achterhoudend haar lidmaatschap daarvan, ,,’t is me nog pas nieuw, maar ’t schijnt de moeite van ’t kennismaken toch wel waard ...”
„Welzeker,” zei-ie, ,,’t is héél mooi . . .” en school terug achter z'n krant, glimlachend . . . och, ze wou alles 's bekijken natuurlijk, wat zouen ze daar saam om lachen . .