ingevoerd.” Maar hij trok z’n oogleden saam met krimpink-jes van gêne, toen-ie plots meende dat z’n vrouw hem verdenken zou van een onkiesche toespeling op hun onthouding. Dat was ellendig, dat-ie dat daar gezegd had, vervloekt, je kon je woorden niét zoo afwegen en hij bedoelde ’t immers ook niet zóó, maar dat was bitter, bitter voor haar. En gauw zei-ie er maar wat overheen: „Zeg, kind, ik ben nou wat; moe, maar willen jullie nou niet een klein wandelingetje maken ? Johan excuseer je mij dan, jonge? maar je bent nou tóch hier, ga een eindje opwandelen met Betty hè . . . als je zin hebt.”
Johan zag hem even vluchtig aan, vóór ’t omkijken naar haar; een stoot van verwarring, heeschmakend, bonkte dat weer nieuw neer in het net van zenuwachtigheid in hem.
Maar bang die bewogenheid te laten hooren in ’t vreug-dekrieuwelen van z’n geluid, nu zóó dicht bij ’t alleen zijn met haar, zei-ie, rekenend op haar beleefd-aandringen dat de heftigheid van z’n toestemmen dan wel temperen zou ;
„Och, wat dunkt jou . . . Betty ... we moesten maar hier blijven hè? of niet?”
Zij zag, de bordjes op tafel ineenschuivend, daar naar neer, zei dan, als onbesloten:
„Nou, we kunnen nog wel s zien hè . . . dan kunnen we altijd straks nog gaan ...”
„Welja,” zei-ie zacht-schor, op zij schuivend om haar te laten ruimen. Dan, na nog even praten over Herman, die zij vooruitgegaan vond, nam ’t meisje ’t eetgerij van tafel, spreidde daarover ’t frissche, roze-en-wit doorwerkte kleedje weer en zette een vaas met paarse irissen daarop. Een besteller bracht de arbeiderskrant van den vorigen dag en Herman vroeg verlof even te mogen inkijken. Zij namen