„M’n vrouw ziet er goed uit hè?” zei Herman opgeruimd door haar levendigheid, ook altijd blij-tevreden als-ie-haar sympathie zag voor zijn vriend.
„Uitstekend,” zei Johan, „dat Gooi doet ’r goed.”
Herman herhaalde dat, toen ze binnenkwam. „Johan zegt dat ’t Gooi je zoo goed,” zei ie glimlachend, ,,'t Gooi en je nieuwe werkkring.”
Zij kleurde even, om ’t weer moeten denken aan hun verhouding en ’t nu heel openlijk veranderd in haar levensopvatting staan, tegenover hém voor ’t eerst; dan, om haar te helpen uit het licht-pijnlijk veronderstelde van die overwonnenheid, begon Herman maar gewoonweg te vragen naar de Meeting. Johan, terwijl ze koffie dronken, luisterde gretig naar haar allengs opgewonden vertellen, met in zich de nauwbedwingbare vreugde van hun heimelijke intimiteit. Zij deed hem wel rappe vragen over bekende partijgenooten die gesproken hadden, en hij antwoordde maar met een opgeschroefde levendigheid over hun bekwaamheid en hun voortreffelijkheden, besprak ook met gemakkelijkheid van routine de laatste politieke onderwerpen en de socialistische meeningen daarover.
En een nieuwe aanmoediging voelde-ie vertrouwelijker uit haar vraag: of-ie toch van middag bleef dineeren ook? „Ja, zei ze weer met een kleurtje, „je kunt nou wel bij ons eten, je zult je niet bezondigen ... we eten vegetarisch,
. . . ja, och, Herman moest ’t hebben van de dokter en nou ben ’k er maar inééns aangeraakt . . . och, ’t bevalt me best, dat moet ’k zeggen ... en ’k voel er toch oók wel veel voor.”
„Hij komt hier nou pas goed op z’n plaats,” zei Herman naar Betty, „z’n ideeën zijn hier nou zoowat allemaal