naderende zekerheid van haar straks te zuilen spreken, alléén.
Met een enkele opmerking over den mooien weg waaraan ze woonden, den heerlijk-zwaren scherpen dennengeur, wandelden ze terug naar huis. Hij begon nu al levendiger, verwarrender in te denken z’n bang-vreugdige beroering als ie haar bij zich zou hebben, wat-ie tegen haar zeggen zou. Waarvoor was-ie anders hier gekomen? Wat had-ie gedacht om Herman? Drie lange weken had-ie gewacht met gaan, telkens weer bang voor die vreemd-groote schok-king, dk ’t z’n leven toe zou brengen. Hij had in dien tijd veel avonden zitten worstelen tegen de begeerte haar te schrijven, maar eindelijk vond ie dat dan te laf, en te gevaarlijk ook, en ’t was gebleven bij een ansicht, waar-ie een aardigheidje in coquetteerde, voor Herman niet op te merken, voor haar te voelen als een aanhaligheidje. Vergaderingen had-ie ontloopen ; kranten, brochures waren onaangeroerd blijven liggen in z’n kamer. Alleen, wat-ie heel weinig gedaan had vroeger, nam-ie nu en dan plotseling een verzenbundel in z’n handen, en langzaam, over en over, las-ie dan, proevend het schreien der volzinnen inniger dan ooit. Of, zonder voornemen, een avond, liep-ie de deur uit naar een concert, liet zich huiverend verglijden in het klagen der violen. Met weinig spreken waren die weken doorgepijnd, in een roes van hèl verbeelden en weer wilder verlangen, met in den dag, de weeke weemoed die den dorren kantoorarbeid verdroefde, en ’t ongekende, smartelijker begeeren in den slapeloozen nacht. Maar er waren ook dagen, dat hij liep door de voorjaarsstad, zwaar-rijk van liefdeweelde, dat zijn hoofd van vrouwengeur dronken stond, verdwaasd van den jubel die hem neep in zijn keel tot uitkrijtens toe. Dan verwenschte-ie ’t telkens