„Zeg Johan, weet je waar Betty is?”
Johan zette z'n glas limonade neer, veegde z’n snor af, even omziend naar ’n auto die voorbijgrommelde op den weg, wolkstuivend naar hun schaduwhoekje.
„Nou,” zei-ie, met strak-gedwongen gezicht.
,,’t Zal je verwonderen,” zei Herman, „naarde Meeting.”
Nikkend op en neer met z’n hoofd van verwondering, maar met in de ruimte van z’n borst neerhoekende schokken, glimlachte hij : „Zoo,” zei-ie, „oja, d’r is Meeting vandaag hè?”
„Ja, voor algemeen kiesrecht toch, wist jij dat niet? bij jullie toch ook?”
„Natuurlijk,” glimlachte hij moeilijk, maar ’k wou vandaag nou 's even hier naar toe. Zoo, zoo, da’s toevallig dat ’k jou nog hier tref hè?”
„Nee, ’t is mij te ver, maar ’k was goed en ’t meisje is toch hier, nou, toen kon zij wel gaan. Ja, ze ging er wat graag heen ... ’t is werkelijk aardig — zulke goeie veranderingen merk ’k bij ’r, jij hebt ’r stellig bekeerd hoor.”
„Is ’t toch? Is ze zoo vurig revolutionair geworden?”
„Nou, ze doet er in de laaste weken hèel wat an, ze kijkt niet om naar 'r werk nou . . . maar och, dat zal óok wel weer komen.”
„Wel ji . . .”
„Da’s de eerste tijd — ze moet zich daar natuurlijk heelemaal in werken.”
„Dat spreekt . . . zóó zóó en is ze nou naar de Meeting gegaan hè? jonge, jonge — wie had dat kunnen denken hè?”
„Ja,” zei Herman zachtgenoegelijk, ,,’k meen werkelijk