gen naar Betty. Hij zag nu wel Herman’s bleekblijvend gezicht, zijn bekende oogen en trekken, maar het was toch, of er voor hem iets vréémds over gekomen was ; hij voelde een met moeite terug te houden verkilling van zijn vriend-schapsinnigheid, die hem, om Betty gekomen, met zijn verstand alleen verder naar Herman’s gezondheid deed vragen. En hij zat nikkend tusschen-antwoordjes van ellen-dig-vinden en verwonderd-zijn te geven, toen hij hem hoorde vertellen van zijn dagen hier in ’t groen, een halve week frisch, bijna brutaal weer, wandelingen doen, lachen; dan weer ellendig, wèg, een paar weken achtereen beangstigende hartkloppingen, opstijgingen, hoofdpijnen en volslagen moedeloosheid, waarvan-ie maar niet sprak. Och, hij wist wel, dat ’t mogelijk was er oud mee te worden, maar de onzekerheid, dat kunnen bedenken, dat je opeens wèg zou kunnen zijn. Hij zat bij oogenblikken te zwijgen, met kleine moeë zuchtjes van lusteloosheid tot verder detailleeren, frons-kijkend vóór zich, meenend in Johan’s stilte te voelen de machtelooze zwijgenis van den vriend. Maar Johan kon de zwarte diepte van zijn benauwenis, als vroeger wel, niet bereiken ; hij merkte zijn woorden tot nauw-begrepen volzinnen even-beroerend langs zijn aandacht gaan; er hijgden sidderingen in hem van heftig halsreiken naar Betty’s komst en van toch angstig-onbesloten tegenover haar staan. Hij had niet naar haar gevraagd, bang daarbij aan Herman nerveusheid te laten zien. Die vroeg hem nu, wat te gebruiken en riep zacht naar binnen 't meisje toe, wat limonade te brengen. Hij vond ’t natuurlijk, dat Johan, voor hèm gekomen, niet dadelijk naar Betty vroeg en zei dan, om iets interessants te vertellen, hoofdopheffend met vrien-delijken lach :