De trap opgesjokt, hoorde-ie Annie al roepen of hij daar was ? Hij voelde even een zachtgoed troosten, bij ’t hooren van z’n zusters stem, die bezorgd naar hem neervroeg en ’n warmtedrang werd-ie in zich gewaar van zeggen, uitklagen.
„Waar bé-je geweest ? vroeg ze in ’t portaal, „ben je niet goed, datje midden in vergadering wèg bent geloopen ?”
„Jawel,” zei-ie, „och, niet erg lekker.” Maar toen-ie haar verder hoorde spreken over van Leeuwen die was komen vragen waarom-ie niet geschreven had over de vergadering, nog meer aanmerkingen over ’t in laatste dagen verwaar-loozen van z’n partij- en vereenigingswerk, pijnde hem haar ingehouden-scherpe toon in zijn weeke binnenste, haalde-ie de schouders op en liep naar z’n kamer, wrevelig van de verwalging die de nieuwe herinnering aan z’n plichten in ’m vlijmde. O nee, haar kon-ie ’t niet zeggen ... zij kon dat niet bereiken met haar weinig verfijnde voelen ... zij zou ’m berispen . . . raad geven misschien, maar niet begrijpen.
Een oogenblik had-ie met z’n hoofd op tafel gelegen, toen-ie Gerard aan de kruk van de gesloten deur rammelen en naar Annie terug gaan hoorde. Zij was kwaad omdat hij de kamer achter zich had afgesloten, liet Gerard alleen teruggaan.
„Maak ’s open Jo,” riep ie, „bé je binnen? toe nou.”
Hij durfde Gerard niet buiten laten staan, liep naar de deur en draaide de sleutel om, ging dan weer zitten.
Met handen in z’n zakken bleef Gerard vóór ’m staan, zag z’n pijnlijke gezicht, z'n moeë oogen, waar-ie de bril voor weg had genomen.
„D’r is met jou wat bizonders gebeurd hè ? is ’t niet