in het stilstaan van zijn wilden verlangenloop, voelde hij hoe in zoo weinig weken het sterkgeordende van zijn denkleven verweekt was, vergeten in de verder en verder drijvende stuwing van zijn begeertebewogenheid. Maar het leefde maar een oogenblik in hem, want dadelijk wierp hij zijn weten weer neer naar het zachtdroef hunkeren, dat verhevigde in het langzaam naderen van het stilleege zwijgende huis. Het stond er ook zoo donker-verdoken nu, zonder den blijden ommegang van haar wezen, droefleeg, met neergelaten gordijnen als in een sterfhuis. O, was ze daarbinnen geweest nu, hoe zou hij haar tegen zich genomen hebben zonder één woord. Hoe zou-ie gegrepen hebben de heerlijkheid die dadelijk vóór hem te bereiken lag, zij hem nemend in een buitensporigheid van jongen hartstocht, waarover-ie niet na zou denken, hij alleen gek van gelukkige zondigheid. Wat zou hij lachen om zijn voorbije jaren van strenge zelfcontrole, lachen om al wat hem terug zou willen houden uit de omvanging van haar handen en armen. Was het leven niet donker en leeg, wen puur-koel gehouden van den uitschal der uiterste begeerten? O, hij zou jubelen met zwaarvolle keel, als haar hoofd zou lachen tusschen zijn handen. Getrouwd, getrouwd, wat was voor Mar ’t getrouwd-zijn, als ze verlangde? wat voor hèm het weten, dat ze Herman's vrouw was ? Zou-ie daarover denken als ze vóór hem stond? . . . Maar, wat gaf ’t, of-ie daar nog langer over denken bleef ... ze w&s er nu niet ... hij kon alleen blijven loopen en liggen en slapen ... hij kon om 't huis heendraven als 'n hondje, idioot ... hij bleèf alleen met z’n leege armen . . .
’t Bebouwde straateind afgeloopen, ging-ie op den weg, aan den aangroeienden graskant zitten. Wijd vóór hem, onder